Zin en onzin rapport Dijsselbloem
Gelijke kansen niet onderzocht
Er gaapt een kloof tussen de inhoud van het rapport Dijsselbloem en de reacties erop bij pers en politiek.
Wat schrijft de commissie over de invloed van de onderwijsvernieuwingen op de onderwijskwaliteit: “Over het algemeen blijkt dat sprake is van een beperkte invloed van de innovaties op onderwijskwaliteit.” En wat is de samenvatting in de krant: “onderwijsvernieuwingen hebben averechts gewerkt.”
Ook Dijsselbloem zelf neemt in een interview in Trouw een loopje met de onderzoeksresultaten van zijn eigen commissie, door te beweren dat “door de onderwijsvernieuwingen de basisvaardigheden aantoonbaar achteruit zijn gegaan”. Dat kom je nergens in zijn eigen rapport tegen, sterker nog: niemand weet precies hoe het onderwijs ervoor staat, is de armoedige vaststelling van de commissie.
Breedveld gaat aan deze verkeerde beeldvorming bij zijn weekvraag in dagblad Trouw voorbij, door net als de meeste media gewoon al aan te nemen dat de vernieuwingen het onderwijs hebben verslechterd. Hij maakt zich alleen nog zorgen of de verslechtering voortaan wel eerlijk verdeeld zal blijven, met zijn bezorgde vraag over gelijke kansen.
Met die vraag raakt Trouw-journalist Breedveld wel aan de zwakste plek van de commissie Dijsselbloem, dat ze de bedoeling van de meeste onderwijsveranderingen, namelijk het bevorderen van gelijke kansen, niet heeft onderzocht. En dat valt de onderzoekscommissie eigenlijk best te verwijten. De commissie had de onderwijsvernieuwingen behoren te onderzoeken naar de doelstellingen die daarvoor destijds zijn gesteld, zoals het bevorderen van gelijke kansen. Door nu te zeggen dat rekenen en taal achteruit zijn gegaan en dat in de schoenen te schuiven van de onderwijsvernieuwingen, is zoiets als een koe verwijten dat ie geen eieren legt.
Dus helaas: voor beantwoording van de vraag van Breedveld is een ander en beter onderzoek nodig dan dat van de commissie Dijsselbloem.
Tom Stobbelaar
14 februari 2008