Gebrekkige democratie
In de bezorgde artikelen van de parlementaire pers over het uitblijven van betrokkenheid bij, laat staan enthousiasme voor onze huidige regering van middenpartijen, blijven twee dingen onderbelicht: onze eigenaardige staatsinrichting en de gevolgen van de ontzuiling.
Om te beginnen is onze parlementaire democratie zo ingericht, dat wij kiezers een regering denken weg te stemmen, door de partijen die deel uit maken van die coalitie (CDA en VVD in het vorige kabinet) beiden op een verlies te trakteren die hen de meerderheidssteun in de kamer doet verliezen, waarna er een nieuwe regering komt onder leiding van: dezelfde premier. Omgekeerd kan een regering in Nederland, die met een gezamenlijk zeteltal van rond de honderd uit de verkiezingen komt, waarbij de partij van de premier (PvdA 1977) tien zetels wint, uiteindelijk niet terugkeren.
Allemaal omdat wij geen regering kiezen en geen minister-president, maar een volksvertegenwoordiging. In Nederland met haar meerpartijenstelsel en evenredige vertegenwoordiging betekent dat, dat wij geen zeggenschap hebben over de vorming van onze regering of de keuze van onze minister-president. Gebrekkige verkiezingen zijn dat.
In de politieke situatie van de laatste jaren heeft dat betekend, dat Balkenende, minister-president van conservatieve kabinetten met de LPF en met Verdonk erin, nu de woordvoerder en voorzitter is van een gematigd progressieve coalitie, een rol waarin hij het heftig afgeeft op zijn eigen oud-minister Verdonk en op LPF-kloon Wilders.
Naar mijn smaak is dit gebrek aan effectieve verkiezingsinvloed de hoofdoorzaak van groeiende desinteresse in de Nederlandse politiek en van het wantrouwen jegens de politici.
“Ze doen toch wat ze zelf willen daar in Den Haag”, voor politici is dit citaat van de straat misschien een gruwel, maar het klopt helemaal als je kijkt naar de werkelijke invloed van de kiezer op de samenstelling van regering en op wie er premier wordt. Bas de Gaay Fortman werd na de laatste verkiezingen zowat uit de krant verjaagd, toen hij in een ingezonden brief een vraagteken plaatste bij de vanzelfsprekendheid waarmee Balkenende in 2006 na zijn verkiezingsnederlaag weer premier werd. Ook naar mijn smaak zou er veel verbeteren in de politieke duidelijkheid en in de betrokkenheid van de Nederlandse kiezer, als de premier van een regeringscoalitie die haar meerderheid verliest, niet als premier terugkeert, zeker nu de democratie een mediacratie is geworden, waardoor de politieke leiders letterlijk en figuurlijk boeg-beelden zijn geworden. Onze staatsinrichting moet onderhand echt eens worden aangepast op dit punt.
Daarnaast speelt ook de ontzuiling een aanzienlijke rol bij de krimp van het politieke midden en bij wat Breedveld noemt “het chagrijn van de samenleving”, de kloof tussen burger en overheid. Of liever: de manier waarop de politiek met de ontzuiling is omgegaan. Men heeft gedacht, Kok in de jaren ’90 voorop, dat de ontzuiling betekende, dat dan ook de ideologische veren dienden te worden afgeschud. Terwijl een ontzuild volk juist smacht naar een scherpere herformulering van idealen en een veel duidelijker stellingname dan voorheen. Waar mensen niet meer automatisch bij een club horen, dienen ze er voortdurend bij gesleept te worden, en hebben ze veel meer dan voorheen behoefte aan een duidelijke visie van de partij waar ze misschien wel op zullen stemmen. Dit is misschien wel de belangrijkste voedingsbodem onder de groei van PVV en SP. De middenpartijen hoeven niet zo ongenuanceerd te zijn als deze buitenpartijen, maar een voortdurend hameren op en schaven aan eigen beginselen is van wezensbelang in een ontzuilde samenleving waarin weinig meer vanzelfsprekend is.
Tom Stobbelaar
22 september 2008