Zeg maar.
Het zijn niet de feitelijke jaren, de rimpels, stramheid of het uitvallen van steeds meer grijze haren, maar het is het taalgebruik, dat je als oudere aan de kant zet.
Ineens hoor je overal een woord, dat iedereen gebruikt en jou als stompzinnig in de oren klinkt. Of een modieuze uitdrukking, waarvan je de herkomst niet weet en die je er in één klap van bewust maakt dat je mijlen achter loopt. “Sjeemienee”, denk je dan als oudere, “ik heb de boot gemist”. Meestal zijn het bovendien heel lelijke nieuwe woorden of uitdrukkingen waar je dan ineens aan moet geloven om er weer bij te horen.
Het laatste woord, of liever de laatste uitdrukking die als een nationaal stopwoord over ons land is neergedaald, is “zeg maar”.
Je hoort het momenteel eigenlijk aan het einde van elke zin te gebruiken, waarna niets meer gezegd wordt, en het heeft ook het “eh” woord, dat eigenlijk een klankhebbende ademhaling was om halverwege een zin even na te denken, volledig vervangen. Dus hoor je het “zeg maar” soms twee keer in één zin, “zeg maar”.
Waar komen die taalmodes toch vandaan? Is het een soort kosmisch bewustzijn, dat we woorden massaal gaan bezigen zonder dat we het van elkaar weten? Komt het van televisie, zoals de nieuwe uitspraak van de Nederlandse R, zonder rollende tong niet als een medeklinker maar als een halve klinker net als de Amerikaanse R, waarschijnlijk gewoon van de Engelstalige Clipzenders afkomt; hij wordt de Gooise R genoemd, misschien omdat Goeie Tijden Slechte Tijden aan de popularisering ervan heeft bijgedragen.
Elke generatie brengt een eigen woordenschat mee, maar verbazingwekkend is de klakkeloze na-aperij die daar dan op volgt en over de generaties heen gaat.
En de nieuwe taaltrends komen niet alleen van jongeren; was het niet Balkenende die het modewoord “aangegeven” heeft geïntroduceerd? “Ik heb zo-even aangegeven”, daarmee bedoelt de premier sinds jaar en dag, dat hij zichzelf op dat moment gaat herhalen, dat hij iets voor de tweede keer gaat zeggen. Sindsdien wordt er in vergaderingen niets meer gezegd, alleen nog van alles aangegeven. Gedachteloos dezelfde stopwoorden en uitdrukkingen gebruiken als een ander, het lijkt op het ontstaan van trends in de modewereld en op hypes in de politiek: ineens loopt iedereen in paars gekleed en ineens vindt iedereen de Marokkaanse jongeren een nationale ramp. De herkomst van dergelijke trends is vaak nog te traceren, maar die van taalmodes of taaltics veel moeilijker.
Het is van alle tijden natuurlijk, zo was bijvoorbeeld “weet je wel” het “zeg maar” van de jaren zestig en zeventig. Misschien schuilt onder onze na-aperij wel een fundamentele behoefte aan saamhorigheid. Als allochtonen zich ook bekeren tot het stopwoord “zeg maar”, zien autochtonen hen misschien meer als landgenoten. Als allochtonen ook van alles gaan aangeven in plaats van zeggen, bereiken ze misschien meer bij instanties en werkgevers. Kortom, er zal best iets goeds onder het “zeg maar” schuilgaan, maar toch heb ik er een hekel aan en krijg ik een rooie pieper van schaamte als “zeg maar” er bij mij per ongeluk uitrolt.
Ik heb me in mijn jeugd zeker bezondigd aan “weet je wel”, toen “starten” werd vervangen door “opstarten”, was ik er ook als de kippen bij en ik heb zelfs nog “cool” gezegd om “hot” te zijn, maar ditmaal pas ik. “Zeg maar” komt er bij mij niet meer uit, ik pas.
Reden? Te oud waarschijnlijk.
Tom Stobbelaar 5 oktober 2008