Home

Tekstschrijver

Trein der snelheid

Met de nachttrein naar Lissabon in het hoofd, sta ik met mijn reisgenoot in de tochtige kou van de vroege aprilochtend ongedurig te wachten op een perron van puinhoopstation Rotterdam. Voor de goede orde: nachttrein naar Lissabon is een boek dat ik pas heb gelezen en station Rotterdam is een puinhoop omdat het volledig op de schop is gegaan vanwege, ja, vanwege wat eigenlijk. Omdat het vernieuwd moet worden waarschijnlijk, zoals ook het Catharijnestation van Utrecht om een of andere reden vernieuwd moet worden en er net als de stations van Amsterdam en Arnhem pakweg tien, vijftien jaar als een modderige bouwput bij zal liggen. De treinen rijden steeds sneller, als ze rijden, maar het opknappen van stations duurt in Nederland eindeloos. Heeft het met geld te maken? Wordt er misschien niet genoeg subsidie uit Brussel gevraagd voor onze openbare infrastructuur?
De reis, we gaan net als in het boek met de trein naar Lissabon, begint met een hapering. Aan de einder, daar waar de perronoverkapping weg is en een waterig zonnetje op Rotterdam schijnt, daar wel, zien we onze trein staan. Hij glimt, straalt en staat stil. Een geüniformeerde NS-informante deelt ons mee, dat de rails bij Lombardijen tijdelijk geblokkeerd is en dat ook zij moet wachten op nadere informatie. Alle reizigers op het perron leven met haar mee, want het is voor haar natuurlijk veel erger dan voor ons. Wij moeten tenslotte alleen maar met de trein mee, zij is beroepsinformant. Ze heeft de verhoudingen slim omgekeerd, niemand wordt boos.
“Weer iemand voor de trein gesprongen”, gonst het over het perron.
Maar een half uurtje later mag de Talys toch rijden en mogen we nog mee ook.
Harder dan een gewone gele intercity lijkt hij niet te gaan, maar dat komt “omdat onze bovenleidingen daar nog niet op berekend zijn”, weet een kenner in onze coupé ongevraagd te melden. “Wacht maar tot we voorbij Parijs zijn”, voegt hij er geruststellend aan toe. Uit zijn toon begrijpen we dat het daar veel sneller zal gaan.
Als we aan het eind van de ochtend in Gard du Nord uitstappen en een kassa of automaat zoeken om een metrokaartje te kopen, genieten we van de bouwstijl en sfeer van het station. Zoals het in onze verbeelding moet zijn: een kopstation met zuilen en veel gietijzer in het dak. We halen de metrokaartjes met groot gemak uit een automaat – die euro toch – en na twintig soepele tussenstops glijden we Porte d’Orléans binnen. Wat een gezellig station is dit. We bezoeken een warme bakker aan een kraam en lunchen zodoende heerlijk op een bankje in de ruime, tochtvrije, goed onderhouden hal. We zijn er aan toe, want tussen Rotterdam en Gard du Nord viel niets te happen of te drinken.
We hebben alle tijd om onze Train à Grande Vitesse naar Bordeaux te vinden, die er inderdaad de sokken in zet. Voor de gein haal ik mijn tomtom tevoorschijn om eens te kijken hoe hard het gaat. Rond de 300 kilometer per uur. Op deze manier zijn we veel vroeger in Irun dan het schema aangeeft, verzucht mijn reisgenoot, die van de cijfertjes is. Ik ga op zoek naar koffie, die ik inderdaad vind, een klein hoekbarretje met goede koffie en fris water. Tot grote opluchting van mijn rekende metgezel neemt de trein der snelheid na Bordeaux het tempo aan van een boemeltje, zodat we niks te vroeg bij de Spaanse grens zijn. Irun Centraal oogt zoals het stationnetje van Deventer er ooit moet hebben uitgezien, voor welke opknapbeurt dan ook. Met een grote klok in de hal, die tikt. En balies met veel hout, hout dat dik in de vernis zit. Hier heeft men bovendien nog nooit gehoord van terrorisme, want we laten onze paspoorten zien en onze kleine tassen gaan ongescand de Iberische trein in. En voor we het weten zitten we in een treinrestaurant uit het boekje. Uit een oud boekje dan wel te verstaan. Want gedekte tafels en picobello aangeklede obers in een trein, kom daar nog eens om in Nederland. Een van de twee obers loopt met zeebenen, of treinbenen, maar dat woord bestaat niet meer sinds de Nederlandse treinen geen voedselvoorziening meer hebben. De obers zijn Portugezen en hebben hun eigen gerechten meegebracht, want een kwartier later genieten we, in Spanje, van Portugese wijn, sopa de legumes en bacalao, groentesoep en kabeljauw.
Leve Europa!
Nederland mag dan de grootste nettobetaler zijn aan Brussel, maar wat betreft het openbaar vervoer moet Nederland zich onderhand een beetje schamen. Het lijkt nodig dat de Nederlandse overheid eens wat meer aanspraak maakt op Europese fondsen, om haar infrastructuur op te poetsen. Na jarenlange verbazing over al die nieuwe Europese wegen in Ierland, Spanje, Portugal en delen van Oost-Europa, is ook deze treinreis er een op weg naar de beschaving. De stations zijn overal mooier dan die in Nederland en de treinen rijden harder en hebben meer service. Als we na een vredige nacht in met vier vreemden gedeelde slaapcoupé in station Lissabon Oriente arriveren, vallen ons helemaal de schellen van de ogen. Dit stadsdeel herbergde in 1998 de wereldtentoonstelling en het ziet eruit of het vorige maand was. We voelen ons eregasten in een bouwkundige prachtwijk. Het station oogt modern en efficiënt, vol architectonische snufjes. En opnieuw met hoogstaande horeca.
We zuchten, het zijn ontspannende en tegelijk weemoedige zuchten, bij het besef dat Nederland zich in het openbare leven aardig aan Europa kan optrekken de komende jaren, als het zijn scepsis over de andere landen van de unie inruilt voor inspirerend enthousiasme over de kwaliteiten van andere lidstaten.

5 juni 2009

Blog