Een omhelzing
Ik leerde haar kennen via de televisie. Het was Louis Theroux die haar aan mij en aan honderdduizenden anderen voorstelde in één van zijn documentaires. Deze ging over sektes, en zij was één van de sekteleiders in het programma, haar naam: Amma.
Amma is een klein goedlach rond vrouwtje uit India, en kortgeleden was zij in Nederland, in Houten. Haar specialiteit: mensen omhelzen, “to hug people”. De incrowd noemt het geven van “Darshan”. Ik zag haar aanwezigheid in de krant staan op de laatste dag van haar driedaagse in Nederland en ik besloot die avond op het laatste moment er heen te rijden, uit nieuwsgierigheid en omdat het niet al te ver van mijn woonplaats was. Of nee, toch ook vanwege iets anders. Het negatieve gedoe door Wilders en trawanten, in die maand tot een kookpunt gerezen, begon me te deprimeren en ik wilde weleens iets positiefs meemaken. Iemand die beroepsmatig andere mensen omhelst, dat leek me nou weleens aardig.
Het was een regenachtige avond, de parkeerplaats leek oneindig en stond vol, maar tot mijn verbazing kon ik de evenementenhal zo binnenlopen. Ik liep een gang en een zaal door, voor ik bij de grootste zaal was, waar tot mijn verbazing zo’n duizend mensen zaten, op klapstoeltjes en ze zaten te mediteren. In de verte zag ik Guru Amma zitten, gehuld in een wit laken. Ik zag vooral het witte laken. Er werden voor mij onverstaanbare regels gepreveld, voorgezegd door Amma en nagezegd door de meesten in de hal. Ik vond een lege stoel en ging zitten. De stoel zat zo ongemakkelijk als een klapstoel altijd zit. Ik bespeurde televisieschermen aan de zijkanten van de zaal, waarop teksten voorbij gleden. De teksten die gepreveld werden wellicht, maar nu vertaald. Het kwam allemaal heel geolied over. Mijn zeer verlate komst leek niemand te deren of zelfs maar te interesseren, waardoor ik vrij snel dacht: laat ik mijn ogen maar eens even sluiten en proberen mee te mediteren. Ik kreeg het warm, vooral mijn handen. En ik werd misselijk. Zo misselijk, dat ik dacht: “ik moet naar buiten, want dit gaat niet goed zo.” Ik liep de zaal uit en ging in de aangrenzende zaal op een klapstoel zitten. In die ruimte was bijna niemand, verderop zag ik wat marktkraampjes met kleren en boeken. Het was hier koeler, ik sloot mijn ogen en liet de misselijkheid langzaam wegdrijven. Ik werd moe, zo moe dat ik besloot even terug naar mijn auto te gaan om daar even te gaan slapen. Ik was tenslotte een vreemde eend in de bijt daar en om nou meteen bij een ander zijn feestje te gaan liggen pitten, leek me niet zo kies. Ik zocht mijn auto op en ging in de kou slapen. Ik was meteen vertrokken en werd een half uur later fit wakker. Ik ging terug naar binnen. Guru Amma was inmiddels liedjes aan het zingen met haar gehoor. Als een rockbandleider zweepte ze met weidse armgebaren de tablaspelers en snaarinstrumentalisten achter zich op tot tonen en ritmes die de zaal enthousiast deden meezingen. Ik kende niet één liedje. Na het concert begon datgene waar ik voor gekomen was: de omhelzing.
Toen pas werd mij duidelijk, dat ik een nummertje had moeten trekken, voor de volgorde. Ik haalde een nummertje, S31 en zag dat ze bij A begonnen. Een lange nacht wachten in een hal in Houten en een korte nacht thuis in bed drongen zich op. Een wandeling langs de “merchandise” van sieraden en Indiase katoenen kleding bracht me bij de boeken- en cd-verzameling van Amma. Naast mensen omhelzen was ze dus ook een veelschrijver en muzikant. Ik kocht het dunste boekje, dat een Amma lezing bevatte over tolerantie tussen de wereldgodsdiensten. Deze aanschaf was mijn stille protest tegen Wilders. Ik las het boekje in een kwartier uit. Ik beoordeelde de rij hunkeraars naar een omhelzing en het tempo van voortgang. Nog drie uur wachten, schatte ik in. Ik probeerde te slapen, wat niet lukte en de verveling sloeg toe. Tot ik besloot om zo dicht mogelijk bij Amma te komen en maar eens te gaan bestuderen hoe die omhelzingen zich voltrokken, en welke rituelen eraan kleefden. Dat hielp mij bij mijn opstelling toen het uiteindelijk mijn beurt werd. De laatste meters voor je bij Amma komt, dien je geknield, schuifelend af te leggen. Dan pakt ze je hoofd en legt die naast de hare. De ene hand legt ze achter je hoofd, de andere hand van Amma rust op je schouder. Wang tegen wang prevelt ze dan gedurende tien à twintig seconden wat onverstaanbaars in je oor, je krijgt een schouderklopje waarna je alweer wordt weggeleid door één van haar vele assistenten. Zo leek het ook bij mij te gebeuren. Ware het niet dat Amma tijdens mijn omhelzing besloot in een lachstuip te schieten, en mij daar deelgenoot van maakte door mij met beide handen stevig en enthousiast te bekloppen. Zou de Guru alwetend zijn? Zou ze weten dat ik komiek ben? Onder mijn oksel door keek ik schielijk naar wat er loos was. Twee van haar assistenten hadden besloten om hun bazin een geintje te gunnen tegen de vermoeidheid van deze lange avond. De twee jongens hadden zich vermomd als Indiase vrouwtjes, als Amma’s eigenlijk, met sarongs en sluiers omwikkeld en twee tinnen soepkommen als boezems. Mijn ijdelheid was totaal misplaatst, de lol had niets van doen met mijn komische gaven, de ploeg van Amma was een beetje melig, Amma zelf incluis. Toen ik werd weggeleid en kort daarna het tafereel van de zijlijn gadesloeg, ging het gierende lachen bij Amma en haar medewerkers nog een tijdje door. Ik werd er zelf ook heel vrolijk van. Opgewarmd en energiek reed ik huiswaarts, door een nog net donkere nacht.